Onderzoek
Moral fitness of
military personnel in a networked operational environment (hoofdaanvrager
Lambèr Royakkers)
(Looptijd: 1 juni 2009 – 1 juni 2013,
NWO-aanvraag, 550.000 euro)
Militair
operationeel personeel wordt in toenemende mate geconfronteerd
met niet eerder ervaren complexiteiten in hun missies.
Samenwerking tussen verschillende partijen is een essentiële
voorwaarde hierin. Militaire organisaties maken steeds
intensiever gebruik van netwerktechnologie, om het delen van
informatie en samenwerken tussen partijen in het netwerk te
bevorderen. Wij hanteren de term Network Enabled Operations
(NEO) om de meerwaarde van een genetwerkte organisatie te
beschrijven. Het succes van een missie wordt in toenemende mate
bepaald door het vermogen van soldaten om kritieke situaties te
evalueren, goed afgewogen beslissingen te maken en samen te
werken in allianties. Ethiek en moraliteit spelen een cruciale
rol in het omgaan met diversiteit van perspectieven en het
balanceren van meervoudige belangen van samenwerkende partijen
en eigen belangen. Dit onderzoeksprogramma onderzoekt de
essentiële competenties van militair personeel die nodig zijn
voor het maken van moreel verantwoorde beslissingen in
genetwerkte operaties. Deze vraag is onderverdeeld in drie
subvragen: Wat karakteriseert ‘moral fitness’ in een genetwerkte
omgeving; welke psychologische en sociale condities maken moreel
verantwoorde beslissingen mogelijk; en hoe beïnvloedt een
genetwerkte omgeving militair gedrag? In de analyses worden drie
issues in NEO onderzocht: informatiedelen, samenwerken,
delegatie van autoriteit. Het doel is om de determinanten van
‘moral fitness’ voor adequate besluitvoming en samenwerking
theoretisch te analyseren en empirisch te bepalen. Het onderzoek
levert een bijdrage aan de versterking en borging van moreel
integer handelen in een netwerkomgeving en zal resulteren in
veranderingen in opleiding, training en missie voorbereiding van
militair personeel.
Moral responsibility in R&D networks
(Lamber Royakkers met Ibo van de Poel en Sjoerd Zwart)
(looptijd 1
september 2007 – 1 september 2011, NWO-aanvraag, 550.000 euro)
Technologisch
onderzoek wordt steeds vaker uitgevoerd in
samenwerkingsverbanden of netwerken van verschillende bedrijven,
de overheid en onderzoeksinstellingen zoals universiteiten.
Samenwerking tussen verschillende partijen is tegenwoordig
vrijwel altijd een vereiste voor subsidiering van technisch
onderzoek door de nationale overheid of de Europese Unie. Ook
bedrijven zelf hebben steeds vaak een platte in plaats van een
hiërarchische organisatiestructuur.
Uit eerder
onderzoek is bekend dat het binnen hiërarchische organisaties
soms onduidelijk is wie er verantwoordelijk is voor de gevolgen
van bepaalde activiteiten die de organisatie ontplooit. Dit komt
omdat bij een activiteit vaak meerdere personen in de
organisatie betrokken zijn. Dit staat bekend als het probleem
van de vele handen. Het probleem van de vele handen wordt
frequenter en meer prangend in niet-hiërarchische
samenwerkingsverbanden, zoals netwerken, omdat het daar vaak
ontbreekt aan duidelijke taakverdelingen en
zeggenschapsrelaties. Het aanwijzen van individuele morele
verantwoordelijkheid is bij technisch onderzoek des te
moeilijker omdat toepassingen vaak nog ver weg zijn en gevolgen
daarom moeilijk voorspelbaar zijn.
Een keerzijde van
de ontwikkeling naar meer samenwerking in onderzoeksnetwerken
bij het ontwikkelen van nieuwe technologie is dat het in
toenemende mate onduidelijk is wie er verantwoordelijk is om
mogelijke negatieve maatschappelijke effecten tijdig te voorzien
en te voorkomen. Technologische ontwikkelingen hebben vaak
ingrijpende maatschappelijke gevolgen waar men het achteraf
bezien snel over eens is dat deze hadden moeten worden
voorkomen. Naast ongevallen zoals Tsjernobyl en Bhopal zijn er
ook gevolgen die pas na lange tijd duidelijk worden. Een
voorbeeld is het gebruik van asbest, dat alleen al in Nederland
nog steeds jaarlijks vele slachtoffers eist. Andere bekende
voorbeelden zijn het opwarmen van de aarde door het verbranden
van fossiele brandstoffen en het gat in de ozonlaag door het
gebruik van CFK’s.
Om te voorkomen
dat het in toenemende mate onduidelijk is wie verantwoordelijk
is voor het voorkomen van negatieve maatschappelijke effecten
van techniek stellen we voor het probleem van de vele handen in
onderzoeksnetwerken te bestuderen. Dit probleem is tot nu toe
vooral voor hiërarchische organisaties bestudeerd. Bovendien lag
de nadruk vaak op bestudering van de praktische of juridische
kanten van het probleem, terwijl wij geïnteresseerd zijn in de
morele dimensie. In ons onderzoek benaderen we het probleem van
de vele handen dan ook primair als een moreel probleem, dat
voortkomt uit een spanning tussen de eisen van volledigheid
en rechtvaardigheid die gesteld kunnen worden aan een
verdeling van verantwoordelijkheden in technische
onderzoeksnetwerken
Volgens de
gangbare opvattingen moet er om iemand op rechtvaardige
wijze moreel verantwoordelijk te stellen aan een aantal criteria
zijn voldaan. Zo moet er een oorzakelijk verband zijn tussen de
handeling en het ongewenste gevolg en de gevolgen hadden
voorzien moeten kunnen worden. Diverse auteurs hebben betoogd
dat in organisaties en in netwerken regelmatig niet aan deze
voorwaarden wordt voldaan. Dit geldt ook voor de netwerken
waarin technisch onderzoek plaatsvindt. Naast rechtvaardig moet
een verantwoordelijkheidverdeling in een onderzoeksnetwerk ook
volledig zijn. Volgens de gangbare criteria voor morele
verantwoordelijkheid was waarschijnlijk geen van de betrokkenen
destijds verantwoordelijk voor het doen van onderzoek naar de
schadelijke gevolgen van asbest. De
verantwoordelijkheidsverdeling was daarom niet volledig. Was die
dat wel geweest dan had waarschijnlijk veel maatschappelijk leed
voorkomen kunnen worden
De centrale
onderzoeksvraag van het project is: Welke notie van morele
verantwoordelijkheid samen met welke netwerkstructuur is het
meest belovend bij het oplossen van het probleem van de vele
handen in R&D netwerken? Wij verdelen onze onderzoeksvraag
in drie subvragen die centraal staan in drie
deelprojecten:
1) Wanneer is
een verantwoordelijkheidsverdeling rechtvaardig? In de
filosofische literatuur bestaan verschillende opvattingen over
de vraag wanneer het rechtvaardig is iemand ergens voor
verantwoordelijkheid te stellen. Doel van project 1 is om tot
een invulling van het begrip verantwoordelijkheid voor
onderzoeksnetwerken te komen die moreel te rechtvaardigen is.
Hierbij speelt de notie ‘overlappende consensus’ van de
filosoof Rawls een belangrijke rol.
2) Wat is de
relatie tussen de structuur van een onderzoeksnetwerk en een
volledige verantwoordelijkheidsverdeling? In project 2 zal
een formeel semantisch model van verantwoordelijkheid in
netwerken worden opgesteld. Met dit model kan worden nagegaan in
hoeverre bepaalde netwerkstructuren een volledige
verantwoordelijkheidsverdeling stimuleren of juist in de weg
staan.
3) In welke
mate draagt een overlappende consensus bij aan een volledige en
rechtvaardige verdeling van verantwoordelijkheden binnen een
onderzoeksnetwerk?
In project 3
wordt de verantwoordelijkheidsverdeling in onderzoeksnetwerken
empirisch bestudeerd aan de hand van vier case studies. In het
bijzonder zal worden nagegaan of een overlappende consensus in
een onderzoeksnetwerk over het verdelen van
verantwoordelijkheden ook bijdraagt aan een volledige en
rechtvaardige verdeling van die verantwoordelijkheden. Ook zal
nagegaan worden wat voor factoren bijdragen aan het ontstaan van
een overlappende consensus.
|